Amsterdamse Grafische School 1914 – 1918
“De Band zij de Spiegel van de inhoud” Ambacht: boekbinderij rond 1900
Amsterdamse Grafische School 1914 – 1918:
Van ambacht tot grafisch onderwijs in Amsterdam
De realisering van een typografische opleiding in Amsterdam verliep in de beginperiode uiterst moeizaam. Een groep enthousiaste hoofdstedelijke grafici onder leiding van F. Wierdeis en J. T. Duwaer kwam vanaf 5 december 1913 met grote regelmaat in o.a. het Americain Hotel en de zaal der Typografische Bibliotheek der Lettergieterij “Amsterdam” bijeen.
Breedvoerig werd er gesproken over de organisatorische opzet, de huisvesting en vooral financiering van een typografische opleiding in de hoofdstad. De zorgvuldig bewaard gebleven handgeschreven notulen uit die periode leverden het bewijs dat er in 100 jaar weinig is veranderd. Alleen de bedragen lopen behoorlijk uiteen.
AGS opleiding info
AGS Welk beroep moet ik kiezen (1918)
Directe aanleiding om een vriendenvereniging ten behoeve van het grafisch onderwijs in Amsterdam op te richten, was het feit dat een geplande opleiding Typografie aan de derde Openbare Ambachtschool in de Indische buurt niet door kon gaan. Het nieuwe schoolgebouw onder beheer van de “Maatschappij voor den Werkenden Stand” zou geen ruimte kunnen bieden voor een Typografische opleiding. Reden voor de groep grafici om aan te kloppen bij het gemeentebestuur. Daar vond men bij de wethouder, een oud-hoofdredacteur, een gewillig oor. Vanaf dat moment begon het werk voor Wierdeis en de zijnen pas goed. Een schoolreglement werd opgesteld. De voorgestelde statuten werden op 21 maart 1914 goedgekeurd.
Geschiedenis AGS 1914 -1915
Verslag (1918) Wording Geschiedenis (1915)
Bij de eerste opzet werd uitgegaan van een opleiding in de vakken boekdrukkerij, boekbinderij, steendrukkerij en zincografie. Goede uitgangspunten die overigens wel gefinancierd en op een geschikte lokatie ondergebracht moesten worden. Dat nu bleek niet zo eenvoudig.
Temeer daar het ministerie van onderwijs minder ontvankelijk bleek voor de plannen. Ondertussen waren de initiatiefnemers het er wel over eens dat het schoolgeld minimaal 12 gulden voor kinderen uit arbeidersgezinnen moest bedragen. Subsidie-aanvragen werden tegelijkertijd ingediend en telkens afgewezen omdat de school voor de grafische vakken in Utrecht zou overwegen afdelingen steendrukkerij en lithografie te beginnen. Plannen die van hogerhand waren opgelegd en zeker niet van het Utrechtste schoolbestuur afkomstig waren, zo stelde men in Amsterdam. Men sprak van weggegooid overheidsgeld richting Utrecht.
AGS jaarverslag 1918 AGS jaarverslag 1919 AGS jaarverslag 1920
Een mening die de bonden deelde. “Wanneer het om een grafische afdeling van een bestaande ambachtsschool was gegaan dan hadden we het geld al gehad,” zo verzuchtte toen één der intiatiefnemers. Men overwoog in oktober 1915 naar de minister te gaan om hem persoonlijk duidelijk te maken dat de plannen in Utrecht volkomen misplaats waren. Tot een dergelijk bezoek is het nooit gekomen. Wel werd er lang en geduldig gewacht op betere tijden.
Op 11 juli 1917 kon tijdens een bestuursvergadering van de Vereniging AGS de officiële subsidietoezegging van het ministerie bekend worden gemaakt. Een toezegging die gebaseerd was op een drie jaar oude begroting en dus aan de lage kant was. Desondanks slaagde men er in een jaar later met het daadwerkelijke lesgeven te beginnen in een door architect E.J. Kuipers verbouwde openbare school aan de Weteringsschans. Uit 73 sollicitanten werd L. Ronner benoemd tot directeur, die met 12 docenten 388 leerlingen voor de dag- en avondopleidingen kon huisvesten. Ruim 6o belangstellenden moesten wegens plaatsgebrek worden afgewezen. De belangstelling voor de school was in de beginjaren overweldigend. Binnen een jaar was het docentencorps verdubbeld.
AGS 1918
Wierdels Medaille grafisch onderricht
AGS Notulen (1918-1921) Exploitatie (1918-1920)
AGS kerstkaart (1919) AGS Uitnoodiging
Grafische Weekblad (Mei 1916) Grafische Weekblad (Maart 1917)
De Amsterdamsche Grafische School, 1918
VAKBOND EN VAKSCHOOL Door B. Ponstein 1930
Haar onderwijs en haar verhouding tot het georganiseerde bedrijfsleven
“Bij wijze van inleiding, zullen wij ons, ondanks ons voornemen tot beknoptheid, moeten bezondigen met’ t geven van een kort historisch overzicht van het leerlingwezen in het grafisch bedrijf hier te lande. Voorzoover de kennis onzer drukkersgeschiedenis gaat, werden de jeugdige boekbewerkers meestal beschouwd en behandeld als een noodzakelijk kwaad, niet te vermijden bij het exploiteeren eener drukkerij.
Traden de jongens bij een werkgever in dienst, dan gold het niet in de eerste plaats, den nieuw aangekomene een vak te leeren waarin hij onder alle omstandigheden zijn brood verdienen kon. Hoofdzaak was, den jongeman zoo spoedig mogelijk te dresseeren voor bepaald routinewerk.
Dit bracht met zich mede, zoodra onze jeugdige vriend wat ouder werd en hij een hooger loon moest verdienen, dat dan de werkgever den oudere ontsloeg en opnieuw jongeren africhtte op eenvoudig werk. Men meene niet, dat het slechte voorbeeld, hetwelk de ouders konden nemen aan den toestand in het grafisch bedrijf en de daarin werkenden, een waarschuwing van beteekenis zou zijn, hun kinderen van dit ambacht terug te houden. De hoop was aanwezig, dat hun kinderen beter zouden slagen, dan de velen, wien het niet gelukte, het tot goed vakman te brengen.
Een andere omstandigheid is voor een goede beoordeeling der oorzaken van dit euvel: de economische toestand der arbeidersklasse. In den regel ging het zóó, dat vele ouders al blij waren, als zij hun zoon in een werkplaats konden onderbrengen, waar hij wellicht een vak kon leeren. Het kind kon dan geld verdienen, hetwelk voor de instandhouding van het huisgezin van de grootste beteekenis was.
Hierbij mag vooral niet uit het oog verloren worden, dat de keuze van een vak niet uitsluitend beheerscht werd (en ook nog niet wordt) door de adspiraties van het nog zoo jonge mensch. Het was vooral de economische nood in het arbeidersgezin, welke hier een belangrijk woordje meesprak. De toestand in andere vakken was over het algemeen niet beter dan in’ het drukkers bedrijf; vrijwel overal was de vraag naar jonge, goedkoope arbeidskrachten groot. Vandaar dat de slechte toestand in het grafisch bedrijf voor de ouders van “vak-rijpe” kinderen niet zóó afschrikwekkend was, dat men het er niet eens op durfde wagen …. Met het veelal ongelukkige gevolg, dat de jonge vakgenoot, door de overvoering der arbeidsmarkt met jeugdige werkkrachten, op lateren leeftijd geen loonend werk kon bekomen en zeer vaak als soldaat in Indië zijn leven eindigde.
Het spreekt wel vanzelf, dat dergelijke toestanden alles behalve bemoedigend werkten op de overgebleven oudere gezellen, teneinde door gemeenschappelijk optreden hun patroons te bewegen, hun loon te verhocgen en in overeenstemming te brengen met den levensstandaard dier dagen. Een dergelijke poging zou nog in belangrijke mate bemoeilijkt zijn geworden door het feit, dat ook de patroons allesbehalve welvarend genoemd konden worden; ook zij hadden in sterke mate te lijden onder den slechten bedrijfstoestand. De levensstandaard van een groot aantal patroons was even beroerd als die der gezellen. En, waar niet is, verliest zelfs de keizer zijn recht. Er bestaat een Nederlandsch spreekwoord, hetwelk zegt “Leege kisten geven twisten”. Met deze uitdrukking wil men te kennen geven, dat het moeilijk was in armoedige omstandigheden met velen goed samen te werken ….
Een en ander had mede tengevolge, dat het grafisch bedrijf zoowel in economisch als technisch opzicht op zeer lage basis stond. Door het ontbreken van een planmatig opleidingssysteem was het heel vaak toeval, indien hier of daar eenige bekwame vaklieden kwamen. Deze toestand werd tenslotte zóó ergerlijk, dat het grafisch bedrijf vele jaren zoowel voor patroons als gezellen tot de slechtst betaalde en betalende ambachten van ons land behoorde. Het technisch kunnen bewoog zich op zeer laag peil. De Algemeene Nederlandsche Typografenbond zag de gevaren van een slecht opleidingssysteem reeds heel vroeg in. Uit de oude statuten van dezen vakbond blijkt reeds, dat hij vóór zestig jaren zijn volle aandacht aan het leerlingwezën gaf. Dit geschiedde natuurlijk niet uitsluitend met de op zichzelf prijzenswaardige bedoeling, het vak technisch op een hooger plan te brengen. Voor de in gering aantal georganiseerde arbeiders was in deze de economische zijde der zaak het belangrijkste. Het bestuur van den vakbond ging toch van de zeer voor de hand liggende veronderstelling uit, dat een bekwaam vakman beter en met meer vrucht voor zijn rechten kan optreden dan de middelmatige of de “kruk”(Aanduiding voor een onhandig iemand) .
Bovendien was het voor de vakvereeniging buitengewoon moeilijk, om, wanneer zij na de een of andere mislukte actie, welke lang niet tot de zeldzaamheden behoorden, de slachtoffers – vooral wanneer het slechte vaklieden waren – weer elders onder dak te brengen. Door den slechten bedrijfstoestand en de allesbehalve rooskleurige omstandigheden van de arbeiders in het algemeen, kwam het meermalen voor, dat de oudere vakgenoot in zijn jongen collega een gevaarlijken concurrent zag. Ons zijn zoowel uit eigen ondervinding als uit vanhooren- zeggen gevallen bekend, waarbij zoowel zetters als drukkers er angstvallig tegen waakten, dat de aan hun zorg toevertrouwde jongens al te veel vakkennis opdeden. Het kwam zelfs voor, dat, wanneer een drukker het een en ander aan zijn machine moest verstellen en hij wilde niet dat zijn “leerling” hiermede vertrouwd raakte, dat dan den jongen werk werd opgedragen, ver van de machine verwijderd of om een boodschap werd gestuurd. Dergelijke handelingen kwam niet voort uit kwaadaardigheid, maar moeten beschouwd worden als het resultaat van vrees, dat zij door de jonge arbeidskrachten later van hun zoo moeilijk verworven plaats gedrukt zouden kunnen worden.
Hiertoe bestond reden. De arbeiders hadden maar al te vaak ondervonden, dat, als de patroon een goedkoopere werkkracht kon krijgen – en dat zijn vrijwel altijd de jonge menschen – hij er niet tegen opzag, zijn oudere, dus hooger loon verdienende, arbeiders te ontslaan. Als reactie op dergelijke handelingen, heeft het bedrijf een periode medegemaakt, waarin iedere nieuwe leerling door de oudere gezellen met een groote mate van vijandigheid werd ontvangen.
Dat de hieruit voortspruitende mentaliteit niet in het belang was van het bedrijf, spreekt welhaast vanzelf. Het was de strijd tegen de jongens-exploitatie en voor een goede vakopleiding welke het werken kenmerkte van den Algemeenen Nederlandschen Typografenbond.
Vooral gedurende de eerste decennia van zijn bestaan, werd hieraan veel aandacht geschonken. Er is zelfs een periode geweest, dat een vakgenoot slechts dan tot het lidmaatschap werd toegelaten, indien hij in staat was, aan zekere vaktechnische eischen te voldoen. Steeds en steeds weer bleek, naast andere moeilijkheden welke overwonnen moesten worden, dat het te groote aantal jeugdige werkkrachten en het lage peil van vaktechnisch kunnen, blijvende beletselen waren om tot betere vaktoestanden te komen.
In 1914 bracht een voor geheel Nederland geldende Collectieve Arbeids-Overeenkomst voor het boekdrukkersbedrijf een kentering. In deze Collectieve Arbeids-Overeenkomst werd onder meer voor het geheele land vastgelegd, dat op een bepaald aantal volwassen gezellen, slechts een in verhouding hiermede staand aantal leerlingen mocht worden opgeleid. Hoewel de in dit contract vastgestelde getalsverhouding te ruim is, in verhouding tot de behoefte aan nieuwe werkkrachten voor het bedrijfsleven, maakte zij toch een einde aan den ongelimiteerden opfok.
De roomsche arbeidersvakbond heeft voor dit doel een speciaal vakbureau in het leven geroepen. Toen dan ook in 1917 de hiervoor genoemde collectieve arbeids-overeenkomst met de nodig gebleken wijzigingen opnieuw voor een tijdperk van drie jaren werd afgesloten, werd aan dit contract als onverbrekelijk onderdeel, een leerlingen-regeling toegevoegd. Het Is de voornaamste stuwkracht en oprichter van de Amsterdamche Grafische School, wien de eer van het peetschap der leerlingen-regeling in de typografie toekomt n. I. den heer ph F. J. A. M. Wierdels .
Amsterdam heeft wel lang gewacht, aleer zij overging binnen haar muren een dag- en avondschool op te richten voor de grafische vakken. Voor de geschiedenis van het vakonderwijs ln Nederland is de eerste Juli 1918 een gedenkwaardige dag. Het was op dien dag dat de Amsterdamsche Grafische School haar deuren wijd open zette om zooveel mogelijk personen binnen te laten, die zouden kunnen profiteeren van het onderwijs, gegeven door een groep zeer bekwame en ontwikkelde vaklieden. Reeds dadelijk nam de school een bijzondere plaats in.
Dat zagen de vertegenwoordigers van de arbeidersorganisaties te Amsterdam in 1918 zeer goed in. Ze wilden een school voor allen en niet voor een klein groepje. Door het bestuur der Amsterdamsche Grafische School werd nu besloten, dat de leerlingen, werkzaam in het typografisch en boekbindersbedrijf, voor die bedrijven bestond aan de Amsterdamsche Grafische School aanvankelijk alleen maar volledig dagonderwijs, tweemaal per week telkens een halve dag onderwijs aan de school zouden kunnen ontvangen.
Die nieuwigheid sloeg in. De leerlingen stroomden toe.
Aanvankelijk was de volledige dagcursus voor het machinezetten gesteld op een drie-jaarlijksche: twee jaren handzetten en één jaar machinezetten. In de praktijk bleken de leerlingen, die de werkplaats ingingen, te jong te zijn. Overleg werd gepleegd met de Leerlingen-Commissie, gevormd door de vakvereenigingen, en dit overleg leidde er toe, de opleiding voor machinezetten te geven in een drie-jaarlijkse hen als handzetter en een één-jarigen cursus als machinezetter. Uit de resultaten van dezen maatregel bleek, welk een nuttig resultaat deze wisselwerking van gedachten tusschen de school en het bedrijfsleven kan hebben. De leerlingen van den volledigen dagcursus ontvangen per week 36 uur onderwijs. Hiervan wordt het grootste gedeelte besteed aan de praktijk.